Zichtbaarheid

Ik herinner mij de eindeloze zomers aan het begin van mijn pubertijd. Hoe ik in het gras lag op de dijk. In een stille, levendige, frisse, ruimte die vol potentie, vol belofte was. Een ruimte waarin alles nog kon worden. Hoe heerlijk het was om daarin te liggen. Alles was nog ongevormd, alles zou nog worden. Zoveel nieuwsgierigheid naar wat komen zou. En zoveel zekerheid dát het leven zich aan mij zou openbaren. Maar in welke vorm? Er waren verlangens voelbaar. Naar de grote stad. Naar vriendschap en naar lange, late nachten. Naar dansen. Naar tederheid. Naar zichtbaarheid. Er was die oneindige stille ruimte en er was verlangen, verlangen naar leven en naar vorm.

Ik herinner mij ook dat rond sommige dingen spanning was; het tonen van die hele kwetsbare gevoelens als liefde, schoonheid, zachtheid en tederheid, gevoelens over het Goddelijke dat ik ervaarde, de lichamelijke sensaties die ik had als mijn jongste tante op bezoek was en ik naar haar keek; hoe haar bovenaardse en toch zinnelijke schoonheid mij vervoerde; ik bewaarde ze in stilte, sloot ze op in mij, niemand mocht het merken; de ervaring had mij, blijkbaar toen al, geleerd dat ze ongewenst waren, dat er de draak mee gestoken werd, áls ze al werden gehoord of gezien.
En om de pijn van die afwijzing, de afwijzing van de gevoelens over dat wat mij het liefst en het dierbaarst was, afwijzing die voelde als een ontkenning van wie ik was, van dát ik was zelfs, om die afwijzing niet te hoeven voelen borg ik ze achter een ijzige kilte; “raakt me niet, boeit me niet, nee hoor, echt stom dat”. Gevoelens van verdriet en gemis, wanhoop en onmacht over het gebrek aan contact en steun, mijn onvermogen de aandacht te vangen van de mensen die ik het hardst nodig had, kwamen te liggen onder een laag van stoer en zelfstandig; “niemand nodig, laat mij maar alleen, ik red me wel”.

Gevoelens die te teer zijn om te delen, te vaak beschimpt, belachelijk gemaakt, of gebruskeerd, bergen we veilig op in ons lichaam. We maken ze onzichtbaar. Omdat het te gevaarlijk is ze te tonen of omdat ze zo groot zijn dat we bang zijn dat ze ons of onze omgeving overweldigen. We bergen ze op, achter slot en grendel soms zelfs, soms zelfs zo goed dat we vergeten dat we ze hadden. Zonder dat we er erg in hebben kost dat opbergen, dat onzichtbaar maken, veel van onze energie. Er is een bepaalde mate van spanning nodig om te zorgen dat ze niet aan de oppervlakte komen. Om de scheiding tussen wie we werkelijk zijn en wat ervaren mag worden in stand te houden. Als we jong zijn en afhankelijk is dat soms nodig. Tegen elke prijs, ook als die prijs zelfverloochening is, hebben we het nodig ons verzekerd te weten van de liefde en goedkeuring van hen van wie we afhankelijk zijn om te overleven.

Maar nu, nu we ouder zijn en meer op onszelf staan, worden we ons soms ineens bewust van de verkilling in ons hart, van de eenzaamheid en de pijn die die zelfverloochening met zich mee brengen, van de woede over dat dat nodig was, de walging van dat we onszelf zo alleen lieten en van het verlangen het contact met onszelf te herstellen. Een hernieuwde trouw te voelen aan onszelf, onvoorwaardelijk, rustig en krachtig.
Want niet het beschimpen, niet het geweld, niet het gebrek aan liefde en steun van toen zijn het ergst, onze grootste pijn is dat we daardoor het contact met onszelf moesten verbreken.
Aan het eerste kunnen we niets meer doen; wat gebeurde, is gebeurd. Maar naar het tweede kunnen we op zoek. Met liefdevolle toewijding, met zachtheid en nieuwsgierigheid, met respectvolle aandacht kunnen we dat wat zich schuilhoudt, onze grond en onze waarheid, weer zichtbaar laten worden, er het contact weer mee herstellen, zonder te haasten, met alle tijd die het nodig heeft.

Want de spanning rond ons hart, de verdediging tegen de afwijzing, heeft al onze toewijding nodig, al onze liefdevolle aandacht, al ons geduld en al onze tederheid, om te durven smelten. Zólang heeft het ons beschermd, dat het haast niet kan geloven dat het niet meer nodig is, dat de wereld veiliger is dan voorheen, dat we aanwezig zijn voor onszelf, onszelf kunnen dragen. Voordat het vertrouwt dat we echt niets van onszelf zullen afwijzen, dat ook het meest beschamende, het teerste, het angstigste en het razendste zal kunnen transformeren onder onze zachte blik.

Dan worden we weer zichtbaar zoals we oorspronkelijk waren; met onze onweerstaanbare schoonheid, onze diepe kracht, onze tedere zachtheid, ons oneindig mededogen, onze riddermoed, onze woeste avontuurlijkheid, onze levenslust, openheid en speelsheid en onze volstrekte onschuld. Dan wordt het mogelijk richting te geven aan de levensenergie, en die in haar ongebreidelde overvloed te laten stromen en ten goede te laten komen aan dat wat nauwelijks kan wachten om werkelijkheid te worden.

Daarmee zullen we ons bezighouden. Zonder dat iets moet, zonder haast, zonder dat iets zichtbaar moet worden wat zich nog niet veilig voelt, of wat niet bedoeld is voor de openbaarheid. Niets hoeft, voor alles is ruimte. We zullen onderzoek doen. Nieuwsgierig en respectvol naar onszelf en naar elkaar.

Mei 2018, Mariken van de Bovenkamp